Rondje

Troonsafstand

Ik was acht jaar toen plotseling de Koningin op televisie verscheen.
Zomaar op de verjaardag van haar oudste dochter.
Ik zag een oude vrouw, een oma, die zei dat ze stopte met haar werk.
Met Koningin zijn.
En ik merkte op dat het nogal een dingetje was, zeg maar. Dat ze dat zei.
Maar om heel eerlijk te zijn.
Ik vond het nogal wiedes.
Ze was een oude oma en ik snapte wel dat ze vond dat haar dochter het nou moest gaan doen. Al meende ik wel te zien dat die er een beetje zenuwachtig van werd. En ook dat kon ik me goed voorstellen.

Na heel veel documentaires, tegeltjes, mokken, theelepeltjes en speculaties over de nieuwe gulden, ging ik op 30 april van dat jaar bijna zenuwachtig naar mijn oma die in het bejaardentehuis met een broche van oranje papiertjes net zo gespannen voor de televisie zat.
Ik zag de Koningin prinses worden. Met één simpele handtekening.
En de prinses Koningin worden. Met een zenuwslopende inhuldiging.
Waarvan ik de rellen niet mee kreeg. Hooguit tijdens een onhandige balkonscène. Waarbij de nieuwe Koningin heel ongemakkelijk keek.
Maar ik vond het mooi.

Toen maandagavond een toespraak van de Koningin werd aangekondigd gingen mijn gedachten meteen weer terug naar de oranje busjes met de portretten van de beide Koninginnen met alleen maar oranje hagelslag. En naar de werkboekjes die ik vulde in de derde klas van de lagere school.
Toen dus. In 1980.
Brecht, Joep en Madelief natuurlijk niet.
Die zagen een oude vrouw. Een oma. Die zei dat ze stopte met haar werk. Met Koningin zijn.
En Brecht merkte op: “Oh ja!! Nou missen we Spangas!”

hagelslag

Advertenties
Standaard
Bla Bla Bla, Rondje

Herman

Toen ik een jaar of twaalf was, was Herman een graag geziene gast.
Kwam Herman eenmaal bij je over de vloer, dan moest je niet alleen goed voor hem zorgen maar hem ook naar vrienden en kennissen sturen. En iedereen wist met Herman om te gaan, want Herman had een gebruiksaanwijzing bij zich.
Herman was een zogenaamde ‘vriendschapscake’; een kettingbrief in de vorm van een onafgemaakt beslag.
Met recept.
Omdat er ooit minstens één deel van Herman in de vriezer werd gezet, was hij lang een vaste gast aan onze tafel. Hoewel er eindeloos werd gevarieerd met ingrediënten en daarmee met verschijningsvormen moet ik bekennen dat ik het op den duur wel een beetje met Herman had gehad; ik kon Herman niet meer zien.

Afgelopen kerstvakantie was ik veel dagen buitenshuis. Met de kinderen.
Desondanks kon één televisieprogramma bijna geen dag aan ons voorbij gaan: de ‘CupCakeCup’;
een competitie tussen tien kinderen die strijden om een onooglijke beker en de eer om zelfgemaakte cupcakes een week lang in de winkel van een serieus te nemen patissier te verkopen.
Het programma werd drie maal per dag uitgezonden en de reclames voor die uitzendingen nog eens vele malen meer.  Dus zagen wij twee weken lang tien kinderen jaloersmakende keukenapparatuur bedienen; knutselen met kleurstoffen, marsepein en botercrème en zo de prachtigste creaties maken.

Door de vele herhalingen, òòk in de eerste uitzending van een nieuwe aflevering, kreeg ik ruimschoots de gelegenheid om me te gaan ergeren aan de op mij wat minder sympathiek overkomende kinderen; de jurering door de patissiers en de complete gerechten die nog steeds ‘cupcake’ werden genoemd.
We hebben het gered; we hebben de finale ook nog helemaal afgekeken.
Maar om heel eerlijk te zijn: daarna konden we even geen cupcake meer zien!

cupcakes

Standaard
Joep, Rondje

Contact met Sinterklaas

Als gevolg van een heerlijk kneuterig verslag op 8mm-film, heb ik nog scherp op mijn netvlies
hoe ik als kleuter met een mengsel van opwinding en angst door een pakjesavond stuiterde.
Hoe ik de hele avond met rode wangen en rode oren rondliep
en hoe ik de grootte van mijn cadeaus vergeleek met de grote heggenschaar die mijn vader kreeg.
Ik herinner me ook dat mijn opa al maanden van te voren begon over een brief aan Sinterklaas.
Gewoon omdat Sinterklaas een goede vriend van hem was.
Omdat mijn opa bekend stond om zijn levendige fantasie, geloofde ik dat verhaal niet.

Dit jaar schreef Joep een brief aan Sinterklaas.
Want pakjesavond werd dit jaar gepland bij oma thuis.
En wat nou als Sinterklaas dat niet zou begrijpen en, met pieten en zak en al,
voor de verkeerde deur zou staan?
Daar moest Joep dus niet aan denken.
En dus schreef hij een brief. Die hij vervolgens vergat in zijn schoen te doen.
Mijn verhaal dat Sinterklaas altijd alles weet, ook als hij geen brief krijgt, leek Joep in eerste
instantie gerust te stellen.
Totdat bleek dat de Sint zondag op twitter een half uur spreekuur hield.
Sint beloofde zo veel mogelijk vragen, via twitter gesteld, te beantwoorden.
Joep was er als de kippen bij en vroeg Sint, met rode wangen en rode oren van de opwinding,
of hij wel wist dat we pakjesavond bij oma vierden.
Na enig wachten kwam het antwoord dat dat al in het grote boek stond.
En Joep was gelukkig. Vanwege de geruststelling, maar zeker ook vanwege het contact met de goedheiligman.
Mijn opa leeft inmiddels al jaren niet meer.
Maar ik denk niet dat hij het had geloofd.

Standaard
Joep, Rondje

Superverzameling

Ooit spaarde ik stickers.
In alle soorten en maten maar met name van bedrijven en hun produkten.
Zo herinner ik me een gele sticker erop van ‘Nobel’; een winkel in elektronica
(of was het nou witgoed?) op de Kleiweg in Gouda.
Vervolgens plakte ik de stickers netjes in het plakboek wat speciaal voor mijn
stickerverzameling was aangeschaft.

Ik kreeg mijn plakboek vol na een bezoek aan de Femina-beurs; een soort huishoudbeurs
in Rotterdam.
Bij bijna alle stands lagen stickers in grote stapels klaar om mee te nemen.
En als ze er niet lagen, durfde ik er soms om te vragen.
En als
ik het zelf niet durfde, dan stapte mijn moeder er wel op af.

Na afloop van de Femina-beurs plakte ik mijn plakboek zorgvuldig vol.
Vervolgens bekeek ik het plakboek nog eens.
En nog eens.
En nog eens.
Ik had het er maar druk mee.
Om het vervolgens enigszins ontgoocheld weg te leggen.
Het boek was vol. De sport van het sparen was er af.

De afgelopen weken verzamelden wij superdieren.
Hoewel wij zelf nauwelijks bij Albert Heijn komen, lagen de stapels kaartjes
al snel bij ons in de bus van gulle gevers en andere spaarders.

Met name Joep vulde hele dagen met zijn voller wordende boek.
Hij maakte lijstjes van dieren die we hadden; dieren die we nog nodig hadden;
categorieën die compleet waren; dieren die ook in de vorige serie zaten en hij
legde de enorme stapel dubbele op volgorde.
Hij was er maar druk mee.

Afgelopen weekend kregen wij onze laatste drie ontbrekende nummers toegezegd.
Joep glunderde van oor tot oor en bladerde nog eens in zijn boek.
En nog eens.
En nog eens.
En zei “Wel jammer dat het nou voorbij is….”

Standaard
Rondje

Jeuk!!

Hoewel de details waarschijnlijk anders zijn dan in mijn herinnering, weet ik nog
vrij goed hoe mijn lagere school er uit zag. De hal; de deuren; de lokalen;
wie er achter welke deur welke klas les gaf; enzovoort.
Ik herinner me daarbij ook hoe de schooldokter jaarlijks haar kamp op trok in
de hal, met een plekje voor de ogentest en eentje voor de gehoortest die door
de assistente werden afgenomen. Die assistente was de vervelendste niet; ze zei
nooit zo veel, maar wat ze zei klonk aardig.
Dat in tegenstelling tot de schoolarts zelf; een oudere, norse vrouw waarvan ik me
altijd afvroeg waarom ze ooit besloot met kinderen te werken.
Haar hoogtepunt leek de jaarlijkse luizencontrole te zijn; de klas was nooit zo stil
als wanneer zij hardhandig op zoek ging naar luizen. Ik kan me niet herinneren
dat ze er ooit eentje vond, maar maakte me vaak een bange voorstelling van de
onvriendelijkheid waarmee ze dat zou verkondigen.

Na mijn lagere school duurde het tot Brecht in groep drie zat voor ik weer serieus
met luizen te maken kreeg.
Brecht kwam huppelend de klas uit:
“Joepie!! Ik heb ook eindelijk een keer luizen!”
Met de norse schoolarts weer op mijn netvlies haalden we desondanks alle middelen
uit de kast om de luizen uit te roeien.
Dit overigens met slechts tijdelijk resultaat; de luizen hadden de weg naar ons huis
kennelijk gevonden.

Inmiddels is luizenkammen dus een vast(er) ritueel in huis.
Eén van de laatste keren dat ik weer zo’n beestje bij de kladden had, keek ik ‘m nog
eens goed aan. En trok mijn conclusie: ik ben niet bang voor hem.
Nog steeds veel meer voor die ene schoolarts…

Standaard
Rondje

Oer-Mieke

Als jong meisje las ik graag de boekjes van Mark en Mieke.

Ik herinner me hoe fijn Mark en Mieke het hadden met elkaar als buren, klasgenoten
en vriendjes.

Ik weet nog dat ze samen op vakantie gingen naar Spanje en gingen kamperen in
een tent; hoe ze moeder hielpen toen ze ziek was en hoe ze met de klas muziek
maakten op zelf gemaakte instrumenten. Maar ook minder leuke ervaringen zoals
de mazelen; amandelen laten knippen en moeizame vorderingen bij zwemlessen
eindigden bij Mark en Mieke altijd in een feestje.

Maar echt enigszins jaloers werd ik van het boekje ‘Mark en Mieke spelen
toneel’. 

Mieke die een mooie rol kreeg  in een
toneelstukje voor de opa en oma van Mark, haar tekst leerde, zich op een grote verkleedzolder
in de juiste kleren hees en op het podium stond…  

Dat wilde ik ook wel!

Tegenwoordig kunnen bij ons thuis de door mij zorgvuldig bewaarde boekjes van
Mark en Mieke nog maar weinig goedkeuring wegdragen; de verhaaltjes zijn
enigszins verjaard. Maar de verkleedkist is al jarenlang één van de meest
favoriete speelmogelijkheden. Menig prinsessenjurk is zowel door Brecht als
Madelief én Joep gedragen. Maar ook het shirt met koeienprint dat Brecht bij
haar allereerste vieringbeurt droeg.

De bijbehorende toneelstukjes verzinnen ze zelf.

Ik daarentegen stel vast dat het koeienprint-shirt me veel te klein is en met
de hoop nog een paar leuke kaplaarzen te vinden, buig ik me nogmaals over mijn
tekst.

Nog een paar keer repeteren, dan sta ik op het ‘podium’ in het
poldertheaterspektakel “Oer-Boer”. Een feestje om aan mee te doen.

Als Mieke het toch eens wist. Dan was ze vast jaloers op mij!

Standaard
Rondje

Nieuwe ijstijd

Als jong meisje ging ik vaak met mijn ouders en mijn zus naar mijn oma in het Westland.
Hier en daar lag het asfalt nog wat anders dan nu en snelheden van 130 kilometer per uur waren nog een flinke overtreding. Dat was waarschijnlijk de reden waarom wij er minstens drie kwartier over deden om bij oma te komen; lang genoeg om mij wagenziek te maken.
Liedjes zingen; spelletjes als ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ en het feit dat ik de bestemming en de route kende, maakten echter het verschil. Zij zorgden er voor dat ik, op weg naar oma, maar zelden een greep hoefde te doen naar het spuugemmertje dat standaard in de auto lag.
Toch was ik altijd weer blij de vaste punten in de route te herkennen.
Eén zo’n punt was autoschadebedrijf ‘Dries’ dat ik herkende aan de neonreclame op de gevel:
    “Autoschade? DRIES!”.
Het eerste vragende deel in rood en het tweede, stellige, deel in geel. (Of was het nou andersom?…)
Als we langs Dries kwamen, moest ik zijn reclame minstens eenmaal hardop zeggen.
En nog altijd als ik alleen al aan autoschade denk, denk ik ‘DRIES!’ er bij.

Met Joep en Madelief ga ik wekelijks naar zwemles; een route die ik vooralsnog niet met twee kleuters heb durven fietsen. En dus komen wij iedere week, met de auto, langs de Sligro die sinds enige tijd een spandoek heeft hangen met de tekst “Het is weer ijstijd!”, uiteraard met afbeeldingen van heerlijke ijsjes erbij.
Joep leest die tekst minstens één keer per zwemlesvrijdag voor.
En onlangs op een warme dag ook, breeduit lachend boven zijn perenijsje.

Eigenlijk hoop ik dat hij het de komende weken nog vaak gaat zeggen….
Fijne ijstijd allemaal!!

Standaard